ZiekenhuisForum

Het Kippenhok => Het Kippenhok! => Topic gestart door: Jens Schouten op 15 december 2004, 20:05:47



Titel: De tweede column is er....
Bericht door: Jens Schouten op 15 december 2004, 20:05:47
Over maatschappelijk aanvaardbaar eten...

Onlangs zat ik in een Haagse bistro, ergens in het centrum. Niets vermoedend las ik een boek, toen deze vreselijke en gemeen punctueel en in intervallen verlopende pijn over me heen kwam. Honger (ik weet, die bestaat officieel niet in Nederland), was het eerste, waaraan ik dacht – dat dacht ik vroeger ook altijd, maar echt ervan verzekerd ben ik pas sindsdien ik voor maar zes euro een in prijs verlaagd zelf-diagnose-programma heb gekocht.
Daar heb ik mijn klachten ingetypt en de pc gaf een printje uit: “honger”. Soms is het een hele geruststelling, absoluut nutteloze en goedkope producten om zich heen te verzamelen, want ze kunnen je helpen te weten, dat je ook zonder deze afval alles goed hebt gedaan. Maar wees voorzichtig met dure producten, zoals artsen die gebruiken in hun praktijk. Daar staat dan ineens, zonder te aarzelen zoiets als “verdenking pancreaskopcarcinoom bij incomplete jejunumstenose”. Nou, hem wil ik zien, die dan nog macaroni besteld en zijn symptomen gewoon weer kwijt is.
Honger dus – goed, ik liet me de menukaart brengen, één van de meest gekke benoemingen in de Nederlandse taal. Ten eerste bestaat zij niet uit een menu en ten tweede is een kaart er voor topografie of grafische verduidelijking van bevolkingsgetallen, ruwstoffen of hoogteverhoudingen. Maar op een menukaart staat daar niks van. Nog kon ik opsporen, waar de macaroni wordt opgeslagen, nog waren de gasten op geleide van inkomen en gemiddelde levensverwachting in kleuren te veronderscheiden. Ongeacht deze taalkundige ramp kom je ermee verbazingwekkend snel aan je gewenst doel, het bestellen van voedsel. Hierbij is trouwens te adviseren, het nummer te noemen, want zo ontkom je aan de onvermeidelijke pijnlijkheid geen van de gerechten foutloos te kunnen uitspreken. Een alternatief vormt een sigaret in je mondhoek. Maar die mag je niet vasthouden, want ze moet gewoon aangesabbelt blijven hangen. Met deze sabbelsigaret open je de mond net zo ver dat er onverstaanbare geluiden van je stembanden naar buiten dringen. Dat klinkt altijd goed en ziet er nog goed uit ook.
De meneer aan de tafel naast mij heeft al deze stappen allang voor mij uitgevoerd. Zitten, zelfdiagnose, nummer mompelen, wachten. Voor deze moeilijke parcours werd hij beloond met een grote portie macaroni-groente-modder, die in een koraalrode saus voor zich heen dampten. Zo zat deze man dus voor zijn bord. Rechts de vork in zijn hand, rechts naast het bord de krant en rechts onder de krant de asbak met het bestelsabbelsigaret. Of deze plaatsverdeling puur ruimtegebrek was of voorkwam uit politieke overtuiging, kon ik niet met zekerheid zeggen. Maar ja, in deze tijd is het wel denkbaar, dat subtiel werkende leden van de regeringspartijen door de bistro’s trekken om door een bepaalde geometrische plaatsverdeling rond om hun bord een politieke boodschap onder het niets vermoedende volk te brengen. Hoe dan ook, deze man zat dus politiek gemotiveerd of in ruimtegebrek voor zijn bord en las en at. Dat is een anachronistische vorm van multitasking. Hiervoor hield hij zijn blik rechts op de krant gericht, boog in een frequentie van ongeveer vijf keer per minuut zo diep voorover dat zijn geopende mond het niveau van het bord bereikte en toen schoof hij de macaroni-groente-modder met een trekkende beweging in zijn keelgat. Dat leek op het gebruik van een hark waarmee je teelaarde verdeelt en alle planten weer gelukkig en opnieuw ingekleed voor je laat staan. Ik zelf heb een huis met een volledig betegelde tuin, dus ik heb geen tuin te harken. Maar dit is mij wel bekend uit de literatuur. Terug dus naar de multitasker. Zonder bord en modder en krant en sabbelsigaret had hij zich meteen als Japanner of Tibetaanse monnik verdacht gemaakt, want alleen deze randgroepen zijn normaliter in staat om op een dergelijke manier te buigen (waarbij Japanners in Nederland duidelijk in de meerderheid zijn). Maar zo werd ik toch bang (en wel om hem) en niet de Nederlanders, die normaliter bij bezoekersgroepen groter dan 100 Japanners vervreemding en onderwerping vrezen. Zo in ieder geval praten de politici en zogenoemde deskundigen, die destijds urenlang op de buis verschijnen en onzin vertellen.
Ja, ik werd echt bang, bang voor verwondingen, voor cosmetisch noodzakelijke ok’s die heel veel gaan kosten. Maar zijn spijs was blijkbaar niet bijzonder heet, want anders was er beslag op zijn bril gekomen en had hij zijn gezicht diep in de macaroni-groente-modder ingegraven. In Den Haag is zou dit niet te vergeven zijn, want de Hagenezen zijn niet alleen rijk, maar ook mooi en zij hebben goede manieren. Om te kunnen vluchten, nadat je in een Haags Bistro werd gevonden, schreeuwend van de pijn en geplaagd door etensrestanten op je gezicht, moet je wel een vervalste pas hebben, een schoonheidschirurgische behandeling ondergaan en gewoon weg verhuizen. Natuurlijk moet je voortaan ook naar een ander Bistro gaan en beter ook andere gerechten kiezen, want zelfs een Hagenees heeft maar geld voor één ontsporing met een nieuwe neus en een vervalste pas als gevolg!
Ik of beter gezegd mijn verpleegkundige ziel in ieder geval was bezorgd om die man. Niet alleen vanwege de voorspelde gevolgen maar uit angst voor zijn gezichtsverbrandingen. Voor dit geval bewaarde ik een beetje Spa®, want natuurlijk wil je op een adequate manier eerste hulp kunnen verlenen. Misschien zou ik dan uit Den Haag worden verbannen, want het is immers niet sjiek om macaroni-groente-modder-brandslachtoffers zonder woorden koud designwater in hun gezicht te gooien. Maar dat kan mij niet schelen. Dan verbannen ze mij maar. Ik woon hier toch niet, sterker nog, ik heb niet eens een verblijfsvergunning!
Toen kwam er ineens een andere gedachte op: waarom gaat ie niet direct naar het ziekenhuis? Normaal gesproken vormt het neigen van je hoofd naar de spijs toe een onderdeel van minder beschaafde of dierlijke natuur. In het ziekenhuis is alles anders. Men ligt op het bed. Soms wordt het hoofddeel voor het geven van voeding of de zelfstandige opname hiervan omhoog gezet. (dit leer je d.m.v. overheadfolies op school) Voor een vakkundige plaatsing van de patiënt in een goede houding heb je weliswaar één van die hartstikke dure specialbedden nodig, met anatomische rugaanpassing en microprocessorbestuurde knieknik. Alle overige bedden zorgen namelijk ervoor dat de buik tot aan een pylorusstenose toe geknikt wordt. De zorgvrager kan dus helemaal niet veel eten, het verpleegpersoneel ik blij om elk hapje, die hij überhaupt inneemt en kijkt helemaal niet om naar deze verontwaardigende aard van voedingsopname.
Dat weten natuurlijk ook de professionelen, van de maatschappij zeer kritisch bekeken en survivalgetrainde bistrogasten. Hij zal zijn misdrijf zolang plegen tot hij iedere sociale betrekking tot andere mensen kwijt is geraakt. Hij zal met enthousiasme de uitnodigingen alle uitnodigingen tellen, die op een of ander manier een verband hebben tot opname van voedsel. Dat zijn onschuldige koffietafels maar ook opulente zakendiners met meerdere gangen. Neemt het getal af, valt het onder een kritische waarde, blijft hem geen keuze meer: hij simuleert ter plaatse een hartinfarct.
Deze vermeende hartinfarct maakt het mogelijk, dat hij voor minimaal tien dagen volkomen ongegeneerd zijn ongecultiveerde voedselopname kan celebreren (want tien dagen duurt het tot alle grote apparatuur geamortiseerd is en hij volzit met contrastvloeistoffen en insteekopeningen). Iedereen zal blij zijn, als hij iets eet, iedereen zal hem vragen stellen over zijn ontlasting (want een goed teken is het, zonder reïnfarct abdominale druk te kunnen uitoefenen. Je zou eigenlijk moeten voorstellen, dat de uitscheiding van ontlasting (het poepen) altijd onder monitoring zou moeten gebeuren, vanwege de risico’s). Maar niemand onderkend welke gevaar, ook voor hem zelf van zijn laaghartige gewoonte uitgaat. Hij zal medelijdend bezoek ontvangen, waarschijnlijk zal men hem een of ander voedsel meenemen. Alle vrienden bekommeren zich weer om hem en een ieder nodigt hem uit voor de tijd wanneer hij weer op de benen is en het ziekenhuis heeft verlaten. Deze uitnodigingen telt hij. Overstijgt het aantal uitnodigingen een niveau, dat hem buiten het ziekenhuis van een luxe leven voor minimaal zes maanden verzekerd, gaat hij over tot overwegingen om stappen in de richting van een zichtbare genezing te ondernemen, bijvoorbeeld door zijn ecg te verbeteren of fluitend over de gang te wandelen en tijdens de groten visite pal voor de dokterskamer ‘The Bare Necessities’ uit de jungle book te zingen. De dialoog in de visite zal dan ongeveer verlopen als volgt:
Specialist: “Nou, wie zingt dan hier zo mooi op deze afdeling?”
Assistent: “Dat is meneer........, u weet wel, de verdenking van een hartinfarct van tien dagen geleden.”
Specialist: “Nou, dan heeft u, als ik het goed hoor, echt goed werk gedaan. Dus moeten we eens kijken, of we meneer niet morgen met ontslag kunnen laten gaan.”
Maar daarmee niet genoeg. De patiënt zal proberen om zich overal geliefd te maken, uiteraard ook bij de verpleging. Hij zal zijn etensblad zelf opruimen en zelfs de plasticbakken van de toetjes opeten. Want hij weet dat de raad van bestuur voor het komende jaar had besloten om de plasticbakjes te vervangen door eetbare bakjes om de kosten voor de afvalverwerking te verlagen. Dit is hij ruim voor en iedereen zal zeggen, “wat een aardige kerel, die zelfs zijn plasticbakjes opeet om de kosten van het ziekenhuis te verlagen.” Nu gaat hij dus met ontslag en begint het spelletje weer opnieuw, tot zich de situatie over een half jaar weer toespitst en hij zich wederom gedwongen ziet om een ziekte te simuleren. Maar hoe kun je deze virtueuze cirkel uit ziektewinst, eten en plasticbakjes nou doorbreken?


Titel: Re: De tweede column is er....
Bericht door: Jens Schouten op 15 december 2004, 20:06:12
Dit soort patiënten hoort in een de voedingsopname onmogelijk makend specialbed. Je zou de ligduur behoorlijk kunnen verkorten door de patiënt in ieder geval wensdieet te geven. Daar ligt ie dus geknikt in zijn voedingwerend bed, start op zijn blad en wenst niets meer, dan al deze lekkernijen op te kunnen eten (hij ligt er uiteindelijk al enkele dagen en de trek verandert tot honger. Tussendoor is er natuurlijk een ct-abdomen gedaan, want ze willen uiteraard zeker weten dat er bij hem geen sprake is van een pancreaskopcarcinoom met incomplete duodenumstenose).
Deze wens verhoogd de compliance en hij zal alles doen, zelfs fysiotherapie om weer op de benen te komen. Functioneert dit (ondanks fysio) niet vlug genoeg, zal hij zich uiterlijk op de deerde dag op eigen risico en tegen advies van de arts zelf ontslaan. Dit zou op korte termijn een winst vormen, maar wat heeft de maatschappij ervan? Onze culinaire vriend zal vroeg, zeer vroeg weer in zijn bistro zitten en op niveau van het bord keukenrestanten in zijn keel schuiven.
Dus wordt er een verruiming van het verpleegkundige maatregelenpakket en de multiprofessionele samenwerking noodzakelijk. Multiprofessionele samenwerking is altijd goed, je leest het tegenwoordig overal. Dit wordt alleen nog getopt door multiculturele multiprofessionele samenwerking (dat wil zeggen, dat de zuster bijvoorbeeld uit Indonesië komt). Bijna alle teams zijn dus multicultureel én multiprofessioneel. Mij stemt multiprofessionele samenwerking somber, want zij herinnert me aan het feit dat ik wel jarenlang dagelijks afspraken heb gemaakt en steeds maar bij een sigaretje mijn nog te doen werk ben doorgegaan, maar dat was vanzelfsprekend en hoogstens vriendelijk, beleefd en menselijk. Men heeft veel binnen het team besproken en de afdelingsassistent was vriendelijk en vaak aanwezig. Dat is volstrekt onspectaculair. Spectaculair wordt het pas, als er een vijf pagina omvattend manifest van een duur ingekocht adviesbureau komt, dat adviseert om eens afspraken te maken (met het team, de arts, de fysio) en zelfs in de pauze bij een sigaretje het nog te doen werk door te gaan. Is het dan nog getekend door de raad van bestuur, kun je ervan verzekerd zijn: vanaf vandaag waait er een andere wind. Vanaf vandaag wordt er multiprofessioneel gewerkt, de arts wordt met een juichend “goede morgen!” begroet – SPRONG! – in seconden weer terug naar de zorginterventie!
Zoals we konden zien, is voor een langdurige verandering van het patiëntenprobleem het blote aanbieden van dergelijke specialbedden en de aangeboden wensdieet echter niet voldoende. De terugvalquota liggen hierbij rond de 87 %, wat absoluut choquerend is.
Het is echter het begin van de therapie. De eerste drie dagen verblijft de patiënt bij uit de verte getoonde wensdieet in een specialbed, waarna het door een gewoon bed wordt vervangen en de therapie veranderd. Het voedsel, wat de patiënt krijgt opgediend moet in deze tweede fase van de behandeling absoluut heet zijn en nog steeds wensdieet.
Heet voedsel dwingt hem namelijk tot aanleren van een nieuwe techniek. Heet voedsel kun je namelijk niet zomaar naar binnen schuiven. Je moet een solide afstand bewaren en continue op je vork blazen. Is het voedsel heet én buigt hij te ver voorover, komt er beslag op zijn bril en verbrand zijn gezicht. Maar dat wil ie niet, want hij wil alleen doorgaan met ongecultiveerd mogen eten. Dat gaat dus niet met heet voedsel en hij moet voor hem volledig nieuwe wegen gaan.
Helaas zijn de Nederlandse ziekenhuizen niet in staat om echt heet voedsel aan te bieden. Daarvoor is de transportweg te lang. Zou je deze willen inkorten, een kok op de patiëntenkamer sturen en daar zijn wensdieet ter plekke ultraheet laten flamberen, komt ineens de brandbeveiliging uit zijn schijnbestaan naar voren (wie weet dan wel, wie er in het ziekenhuis bij de brandbeveiliging hoort), spreekt een verbod uit, natuurlijk in volledige onwetendheid van de stand van zaken en ver buiten enig idee over de beduiding van psychosomatiek, infarct en kookkunst. Het geflambeerde en ultrahete voedsel wordt hem dus in aanwezigheid van een geschoolde specialkracht aangeboden en een duidelijke en strakke tijdindeling afgesproken. Bij voorbeeld heeft hij maar 60 seconden om te kunnen eten. Op die manier kan hij niet trucrijk zijn maaltijd laten afkoelen en zijn gewoonte nagaan. Voor het succes van deze therapie staat de verpleegkundige in. Alleen een echt goede en langdurig ervaren verpleegkundige is namelijk in staat om het janken en smeken van de patiënt te weerstaan en zich aan de omkooppogingen van de patiënt te onttrekken. Zij heeft het complete contextuele overzicht. De patiënt heeft grote honger. Voor hem kan deze situatie maar op een manier goed aflopen (maaltijd is heet, honger is groot, carcinoom niet aanwezig en de verpleging onbarmhartig), als hij een nieuw gedragspatroon aanleert, dat lang kan blijven bestaan. Heeft hij onder begeleiding van de verpleging en de kok een manier van eten geleerd, die voor de maatschappij dragelijk is, zal hij dit als persoonlijke verrijking ondervinden. Al zijn bekenden die op visite komen zullen zeggen: “Je ziet er goed uit en je eet fantastisch!” Dat wederom ontneemt hem de noodzaak om een infarct te simuleren, hij kan weer sociaal gereïntegreerd worden en veroorzaakt geen kosten door verkeerde diagnostiek en te koud eten.
Daarom eis ik dat deze twee-fasen-therapie in de medische en verpleegkundige literatuur wordt opgenomen als:“Zorg bij patiënten die hun hoofd voor het eten op het bord leggen.”
‘Zorg bij...’ klinkt altijd goed, belichaamt het toch op een bijzondere manier de mislukte poging om holistische zorg aan de situatie te onttrekken en haar tot aan de grens van de versuffing toe in regels te pakken. Alle boeken staan vol van ‘zorg bij...’ daar wil ik mezelf als individu natuurlijk niet tegen verzetten.
Uiteraard vereist deze therapie ook een verandering van de observering van een patiënt en van de documentatiemogelijkheden. In de anamnese mag niet langer alleen opgenomen worden, wat de zorgvrager het liefst eet, maar ook HOE hij het liefst eet. De adl’s zouden per definitie verruimd moeten worden met het patroon “maatschappelijk aanvaardbaar eten en drinken”. Tot nog toe werd het probleem niet omvattend onderkend, hierin hoop ik op de medewerking van verpleegwetenschappers, die een studie zouden kunnen begeleiden en de statistische significantie tussen hoofd en bord en infarctuitsluiting zouden kunnen berekenen.
Afsluitend natuurlijk komt de alles vernietigende vraag, wie dit alles kan betalen? Wie komt er op voor de kosten van een ziekenhuiswijd werkende rooming-in-kok? Wie haalt de oude bedden weer uit de opslagen te voorschijn, maakt ze schoon en zet ze terug op de kamers? Hiertoe zou men de werkplek en daarmee de kosten van de brandbeveiligingsmedewerker besparen (er weet toch niemand, wie de brandbeveiligingsmedewerker is) en hiermee deze speciale therapievorm financieel veilig stellen. Angstige mensen verwijzen nu zeker op de noodzakelijkheid van ziekenhuisinterne lucifertegenstanders en kerstkaarsenverbieders en de zeker reële gevaar van een ziekenhuisbrand door flamberende koks. Maar dit ligt in werkelijkheid aan de kwaliteit van de koks, want een serieus werkende kok met langjarige flambeerervaring (hiervoor zou men een gecertificeerde vervolgopleiding kunnen opzetten) heeft hier zeer veel kennis van en zou nooit een ziekenhuis aansteken. En stel nou dat het tot deze eclatante situatie zou komen.....
Een reëel afgebrand ziekenhuis kun je veel makkelijker herbouwen dan een financieel afgebrand huis. Zo zou ook dit een bijdrage leveren aan het afbouwen van overcapaciteiten met een grote winst voor de hele maatschappij.





ZiekenhuisForum | Powered by SMF 1.1 RC1.
© 2001-2005, Lewis Media. Alle rechten voorbehouden.